Interview Aart van Norden

aart-van-nordenIk ben Aart van Norden, ik ben klinisch psycholoog en psychotherapeut. Ik heb ervaring in het werken met getraumatiseerde vluchtelingen, asielzoekers, oorlogsveteranen en getraumatiseerde politieagenten.

Ik heb vooral ervaring met volwassenen en hun gezinnen, in die context heb ik ook regelmatig te maken met problemen en zorgen van ouders en hun kinderen.

 

In de gezinslocaties worden kinderen en hun ouders geconfronteerd met ervaringen als arrestaties, opsluiting en uitzetting. Kinderen zien hun leeftijdsgenoten verdwijnen. Wat zijn, vanuit uw expertise, de mogelijke gevolgen van dergelijke ervaringen voor het psychisch welzijn en de ontwikkeling van de betrokken kinderen?

Als die dreiging zich voordoet, dan heeft dat onmiskenbaar gevolgen voor alle betrokkenen. Kinderen voelen de spanning van hun ouders aan zonder dat zij weten wat de concrete impact van de dreiging inhoudt. Als het gaat over de vraag of een gezin in Nederland mag blijven dan zijn dat zorgen waar de gezinsleden dagelijks mee te maken hebben. Er wordt over gesproken, de onmacht en de onzekerheid is aan de orde van de dag en dat kan kinderen niet ontgaan. Hun ouders kunnen in het beste geval pogingen doen kinderen beperkt gerust te stellen, kinderen voelen vaak aan dat dit geen echte geruststelling is. Kinderen verkeren voortdurend in een staat van gevaar en onzekerheid omdat ze heel goed aanvoelen dat hun toekomst hier in Nederland niet zeker is, ze weten dat ze lang moeten wachten op uitspraken van de IND, de instantie die in de ogen van de gezinnen – en in de ogen van de kinderen – een machtige partij is die oordeelt over wat er met hen gaat gebeuren. Vanuit het perspectief van ouders en hun kinderen bestaat het gevoel dan men niet begrijpt dat ze niet terug kunnen naar het land waaruit ze zijn gevlucht. Dat is voor hen geen veilige plek meer, ze kunnen zich niet voorstellen dat ze daar een nieuw en veilig bestaan kunnen opbouwen. Vaak zijn deze kinderen in Nederland geboren en kennen ze het land waaruit hun ouders zijn gevlucht niet, zij zijn deels opgegroeid binnen de Nederlandse samenleving. Als gezinnen worden opgepakt na een inval, dan is dat een zeer beangstigende en ingrijpende ervaring en potentieel traumatiserend voor alle gezinsleden. Niemand weet wat hen te wachten staat, onzekerheid en angst slaan toe. Dat heeft natuurlijk zijn weerslag op hoe zij dit gaan verwerken. Kinderen zijn aan de ene kant erg afhankelijk van de ouders voor hun veiligheid en welzijn en tegelijkertijd voelen ze ook dat hun ouders in nood verkeren. Dat roept enorm veel angst op bij kinderen en dat heeft grote gevolgen voor hun ontwikkeling en hun gevoel voor veiligheid. Ouders kunnen wel sensitief, en in het gunstigste geval ook responsief, op de nood van hun kinderen reageren, echter de ouders zijn zelf ook in nood, de kans is groot dat er een soort ‘gevoelsbesmetting’ bij de kinderen ontstaat: de kinderen voelen zelf angst omdat ze ervaren dat hun ouders onmachtig zijn.

 

Dit soort ervaringen zijn de directe gevolgen van het vreemdelingenbeleid van de overheid, die natuurlijk andere belangen voorop stelt. Zou u zeggen dat de mogelijke gevolgen van wat de kinderen in de gezinslocaties meemaken, aanvaardbaar zijn als consequenties van het overheidsbeleid?

Er zijn natuurlijk vele belangen, in dit geval gaat het om de gezondheidsbelangen van de kinderen en hun ouders. Ik begrijp ook dat Nederland niet eindeloos alle vluchtelingen kan blijven opvangen, maar de mensen die hier zijn, moeten met zorg en respect behandeld worden. Gezinnen krijgen tijdens de procedure te maken met een juridische dan wel politieke realiteit. Soms wordt een land door de overheid als veilig beschouwd en dan is er geen reden om een gezin dat geen recht heeft op verblijf terug te sturen. De realiteit van het gezin is meestal een andere realiteit, ze zijn bedreigd, gemarteld of verkracht. Zij ervaren het land waaruit zij zijn gevlucht als een land dat wordt overheerst door machthebbers die zij niet meer kunnen vertrouwen. Ze kunnen voor hun gevoel niet terug, het leed wat daar geleden is, is te groot, ook de sociale druk in het land van herkomst is soms zo groot dat de eer in het geding is gekomen en dat maakt een nieuwe start niet meer mogelijk. Als behandelaar word ik in mijn spreekkamer geconfronteerd met ernstige traumata, dit gaat over ouders, maar ook over kinderen. Kinderen zijn met enige regelmaat geparentificeerd, zij nemen de ouderrol over omdat zij zien dat de ouder daar niet of onvoldoende toe in staat is. Vaak leren de kinderen makkelijker de Nederlandse taal, vaak tolken zij voor de ouders om te “overleven”. Dat gaat ten koste van hun eigen ontwikkeling als kind en dat komt boven op de schade die reeds is ontstaan door de vlucht naar een veronderstelde veilige plek.

De IND “hoort” de mensen als zij asiel vragen, mensen op de vlucht zijn bang, vaak hebben zij in hun land van herkomst te maken met een overheid die niet betrouwbaar is. Die angst nemen zij mee ook tijdens het “gehoor”. Daarbij komt dat er met enige regelmaat sprake is van psychiatrische problematiek en deze problemen beïnvloeden de manier waarop zij hun verhaal vertellen. Soms is er sprake van verwarring, dissociatie of andere psychiatrische problematiek. Mensen staan in de overlevingsstand en dat is wat de realiteit van veel vluchtelingen kenmerkt. Deze realiteit moet door psychiatrische deskundigen worden ingeschat.

 

Als we terug gaan naar de ervaringen van de kinderen in de gezinslocaties, en dan met name het plotseling verdwijnen van leeftijdsgenoten omdat die worden meegenomen door de politie, wat zouden specifiek daarvan de mogelijke gevolgen kunnen zijn voor het psychisch welzijn en de ontwikkeling van kinderen?

Als er plotseling belangrijke “peergroupleden” uit de omgeving van een kind verdwijnen, het gaat over vriendjes en vriendinnetjes, het gaat over een omgeving die relatief vertrouwd is geworden, dan is de impact daarvan meestal groot. Een verhuizing is voor een Nederlands kind die een vertrouwde omgeving moet achter laten al vaak ingrijpend. Echter, als daar dreiging aan ten grondslag ligt, dan wordt het natuurlijk een ander verhaal. Als de ouders zelf ook dreiging en of mishandeling hebben meegemaakt en getraumatiseerd zijn, dan is het optreden van politie en gezaghebbers enorm beangstigend en bij voorbaat beladen. Kinderen voelen de angst van de ouders en anticiperen daarop. Zoals gezegd komen kinderen in een positie terecht waarin er een rolomkering plaatsvindt, omdat ze ogenschijnlijk beter overleven, omdat ze soms vaardiger zijn met de taal. Als kleine kinderen zich als kleine volwassenen moeten gedragen om zo hun steentje bij te dragen, dan gaat dat ten koste van wat kinderen nodig hebben: kind te zijn, zich veilig voelen en zich te kunnen ontwikkelen. Een ernstig trauma op zeer jonge leeftijd kan onomkeerbare gevolgen hebben.

 

Zou u dit soort ervaringen classificeren als traumatiserend?

De kans is groot dat dit traumatiserend is.

 

Wat zouden dan de gevolgen op lange termijn kunnen zijn, zowel op het niveau van het kind, maar bijvoorbeeld ook op maatschappelijk niveau?

Dat zijn ingewikkelde vragen om te beantwoorden. De gehechtheid is voor kinderen en hun ontwikkeling uitermate belangrijk. Hechting gaat over voorspelbaarheid en veiligheid. Als ouders sensitief en responsief reageren op signalen van hun kinderen, dan slaan de kinderen een concept van veiligheid of onveiligheid op. Dat hechtingssysteem wordt steeds opnieuw getriggerd als er gevaar dreigt.

Als de ouders bron van veiligheid en angst tezelfdertijd zijn, dan ontstaat er voor kinderen een onhoudbare situatie die grote nadelige gevolgen heeft voor hun ontwikkeling. Als kinderen veilig gehecht zijn, dan betekent dat, dat er ook iets van veerkracht is ontstaan bij dat kind. Het kind leert, dat het een beroep kan doen op de ouder als er gevaar is: de ouder kan dan troostend en steunend aanwezig zijn. Als het kind getroost is, kan het weer zijn eigen koers gaan uitstippelen.

Als die hechtingsrelatie vroeg is verstoord in termen van veiligheid of onveiligheid of gedesorganiseerdheid – dat kan gelden voor vluchtelingengezinnen, maar natuurlijk ook voor Nederlandse gezinnen – dan heeft dat consequenties voor de ontwikkeling van een kind. Dat kan je dan uitdrukken in termen van veilige of onveilige hechting en als er sprake is van een ernstiger trauma in relatie tot de hechtingsfiguren, dan spreek je van gedesorganiseerde gehechtheid. Dat is altijd een voorspeller voor problemen op latere leeftijd. Dus ook bij vluchtelingenkinderen hangt het er vanaf hoe de vroege hechting tussen ouder en kind zich heeft ontwikkeld. Naarmate die relatie veiliger is geworden en het kind veilig is gehecht, zou je kunnen zeggen dat ook iets van de veerkracht toeneemt. Maar ook later in het leven kunnen zich nieuwe trauma’s voordoen en kan er toch nog een ontwrichting van die hechtingsrelatie plaatsvinden omdat de buitenwereld gewoon onveilig is en de ouder niet troostend sensitief en responsief aanwezig kan zijn. Op maatschappelijk niveau is, in het geval van ernstige traumata in relatie tot de ouders of verzorgers, de kans op het ontwikkelen van problemen of psychiatrische problematiek.

 

De overheid legt het in haar repliek heel erg bij de ouders neer: het zijn dan misschien wel lastige omstandigheden voor de kinderen, maar de verantwoordelijkheid ligt bij de ouders, want het enige dat ze hoeven te doen, is terugkeren. En hoe eerder een gezin terugkeert, hoe minder de kinderen worden blootgesteld aan lastige ervaringen in de gezinslocaties. Zou het zo simpel liggen, volgens u?

Nee, dat ligt niet zo simpel. Kijk, Armeense gezinnen krijgen bijvoorbeeld bijna nooit meer een status, omdat de Nederlandse overheid Armenië heeft aangemerkt als een veilig land. Maar in dat door de overheid bestempelde veilige land zijn ook zijn er ongeschreven cultuurbepaalde regels en wetten, waardoor deze kinderen en ouders het gevoel hebben dat ze daar nooit meer op een veilige manier kunnen aarden en wortelen. De ouders denken: “Dat kan niet, op basis van wat wij hebben meegemaakt, kunnen we nooit meer terugkeren en daar een veilig bestaan opbouwen.” Dat is het perspectief van de ouders en daar houdt de overheid natuurlijk geen rekening mee, als de overheid zegt dat dat in juridische zin een veilig land is. “Je kan terug, dan moet je terug.” Maar wat daar is gebeurd en wat daar de gevolgen van zijn, de traumatische ervaringen binnen een subcultuur, maakt het onmogelijk om terug te keren. Mensen kunnen door de bevolking worden veracht omdat zij niet in staat zijn geweest om zich te weren of te wreken voor wat hen is overkomen. Ouders zijn natuurlijk altijd verantwoordelijk voor hun kinderen, maar als de ouders zelf getraumatiseerd en angstig zijn, dan heeft dat natuurlijk ook heel veel gevolgen voor de sensitiviteit en de responsiviteit op de signalen van de kinderen.

 

U noemde Armenië. Naar wat we begrijpen is de psychiatrische zorg in Armenië met name voor mensen met traumagerelateerde problematiek echt ver onder de maat. Heeft u een beeld van de situatie van de psychiatrische zorg in Armenië?

De wijze waarop zorg wordt verleend zal in de meeste gevallen anders zijn dan volgens onze Nederlandse normen: “Wij gaan niet over de gezondheidszorg in het land waar de mensen naartoe terug gestuurd worden” is het standpunt van de overheid. “Als daar één psychiater is, dan is daar psychiatrische zorg in dat land en het is niet aan ons om te beoordelen of die zorg bereikbaar is of niet.” Als de psychiatrische zorg heel ver weg en onbereikbaar is, dan is het niet de zorg van de overheid of die psychiatrische zorg ook bereikbaar is voor de gezinnen die dat nodig hebben.

Mensen zijn ook niet voor niets gevlucht uit een land. En ook al is de dreiging in een land niet meer zo groot als het moment waarop ze gevlucht zijn, dan is het beeld van dat land natuurlijk besmet door de trauma’s die eerder hebben plaatsgevonden. En het is net alsof men zich niet in dat perspectief wil verplaatsen.

 

Waarom zou dat zijn, denkt u?

De politiek maakt beleid en draagt bij aan regelgeving. Dat is goed en in een democratie ook belangrijk. De politieke realiteit is echter een andere realiteit dan ik mee maak in mijn spreekkamer bij traumabehandeling.

In mijn vrije tijd, als het verkiezingstijd is, dan ga ik de kraampjes langs van de verschillende politieke partijen en dan stel ik daar het vluchtelingenbeleid aan de orde. Wat me dan opvalt, is hoe weinig mensen weten van de vluchtelingenproblematiek en de trauma’s die daarbinnen plaatsvinden. Het zou goed zijn als beleidsmakers eens een dag mee zouden lopen om te ervaren wat er zich op traumagebied afspeelt in de behandelkamer en kennis neemt van wat mensen mee hebben gemaakt. Ze zullen dan iets van de machteloosheid gaan ervaren waar de vluchtelingen en asielzoekers en hun behandelaren mee geconfronteerd worden. Wellicht wordt het dan minder makkelijk om beleid te maken. Ik denk dat er distantie van de overheid nodig is om het beleid uit te voeren wat ze nu uitvoeren.

 

Vindt u dat het grondig anders moet, of niet?

Jazeker. Ik zou het mooi vinden als de overheid zich veel meer zou verdiepen of zou laten voorlichten over de aard van de traumata en over de gevolgen voor de ouders en de kinderen.

 

Als u er vanuit een persoonlijk perspectief, niet als psychotherapeut maar als vader, een mening zou moeten geven over de gezinslocaties en de ervaringen die de kinderen daar meemaken, wat zou u dan zeggen?

Het enige wat je kan doen als ouder, is je kind beschermen. Om je kind te kunnen beschermen, heb je zelf ook een gevoel van veiligheid of hoop op een betere toekomst nodig. Als dat ontbreekt, of als dat kapot is gegaan, dan is de nood natuurlijk heel groot. Ik zou er niet aan moeten denken, dat mijn kinderen – en ik heb inmiddels kleinkinderen – in een dergelijke situatie terecht zouden komen. Ik zou dat afschuwelijk vinden. Ik vind het ook afschuwelijk voor alle kinderen en gezinnen die dit meemaken.